Juni 2008: Anne

 

In januari zitten we met de barvrouwen rond de eettafel. Een van ons, Anne, geeft haar bord half leeggegeten terug. Dat gebaar heb ik nog nooit van haar gezien. Achteraf besef ik dat haar wangen een tikje grauw kleurden en de ogen een zweem van verwildering hadden. Ze voelt zich niet lekker. Bezocht in de net voorbije kerstvakantie de internist. Hij denkt aan galstenen. Het zijn geen stenen. Het is een levensgevaarlijke celwoekering aan de alvleesklier. Behandeling is niet mogelijk. De levensverwachting: enkele weken, enkele maanden. Ze smijt geen kopjes door de kamer, krabt niemand de ogen uit. Zij is gelaten. Woede helpt niet, zegt ze, het is nu eenmaal zo.

In juni fietsen we naar Beuningen. Daar wordt zij gecremeerd. Veel warme belangstelling in een stenen blok. Het koor zingt. Clem, haar man, spreekt. Ergens in zijn rede breekt hij. Even. Dit is het moment waar je op hoopt en dat je vreest. Even dreigt de uitbraak van verdriet, de kans dat het steriele huis kort en klein wordt geslagen om zijn vrouw terug te halen. Anne (Verniers) leerde ik ruim vijfentwintig jaar geleden kennen. Aanvankelijk nam zij deel aan een vrouwengroep die op maandagochtend een improvisatiecursus volgde. Bij de eerste bijeenkomst had ze half lang, zwart, iets krullend haar en droeg ze tijdens het spelen grof gebreide groene slofkousen, als ik mij goed herinner in de vorm van een beest. Bij de bewegingsopdracht springt ze vrolijk heen en weer. Ik zie nog hoe zij haar hoofd en haar handen van links naar rechts gooit. Alle deelnemers moeten de beweging nadoen. Iedereen lacht. Zij blijft jarenlang. Later, als zij stopt met spelen, wordt zij ‘n steunpilaar voor het theater. Menig bezoeker moet aan de bar door deze kleine Belgische geholpen zijn, een consumptie bestellend in de pauze of na afloop van een voorstelling. Handig, kwiek, naar de Vlaamse traditie zin in een babbel, lust om te lachen èn streng, dat zijn woorden die me te binnen schieten als ik aan haar denk. Streng als er sprake is van je niet houden aan afspraken of andere onnauwkeurigheden. Dat zij niet meer leeft geeft een vreemde leegte. In mijn hoofd. In de werkruimte. De kopjes, de glazen, de waterkan, dat alles heeft ze aangeraakt. Die handeling wordt niet meer herhaald. Nooit meer.