Juli 2008: Hannie

 

Zij-Assistente ontvangt ons. Zij-Wethouder is nog in gesprek. Zij-A wijst ons een plaats waar wij mogen wachten. Wij zijn in het N-stadhuis. Het maakt indruk.
In het wachthalletje staan een bank en een tafel. Over de prijs ervan is vergaderd.
Dat is duidelijk te zien. De plechtige stilte in de gangen wordt doorbroken door heen en weer gaande medewerkers, gekleed in strakke rokken met bloezen of pantalons met overhemden. Met een welopgevoede en goed opgeleide museumblik kijken wij naar de portretten van de burgemeesters van de stad. Zelfs Thom de Graaf hangt al. Na een tijdje haalt Zij-A ons op en treft ons gelukkig in de goede pose aan.

Hannie is eenvoudig en smaakvol gekleed en ontvangt ons met een sportieve handdruk. Zij noemt haar voor- en achternaam. Van beide kanten wordt geformuleerd dat het prettig is om eindelijk kennis te maken. Zij-W begint over de brief die Heer-Regisseur haar heeft opgestuurd. 'Een heel verhaal' zegt ze. Gelukkig bijt Heer-R kwiek van zich af: 'het is ook een belangrijke zaak' antwoordt hij. De stellingen zijn betrokken. Mevrouw-Regisseur observeert en wacht op haar kans.
Wij praten. Heer-R toont aan dat buiten ons V-theater in de stad erg weinig te zien is van toneelstukken van modern-klassieke schrijvers als Samuel Beckett, Thomas Bernard, Hugo Claus, Harold Pinter. En al helemaal niet van de oude Grieken, en de oudere Nederlandse en Europese schrijvers. Zij-W ontnuchtert het betoog. Wat belangstellenden betreft gaat het hier om 5% van de N-bevolking, zegt ze, een groep die zichzelf kan redden, die goed in staat is om elders in het land hun verlangen naar Cultuur te bevredigen. Deze relatief kleine groep bezoekers van elitaire kunst voorzien is voor de Gemeente te duur en daarmee geen keuze van beleid.
Heer-R tast door. Hij zet uiteen dat de middelbare scholieren, die ons V-theater af en toe verplicht bezoeken, niets weten van de genoemde auteurs. Schrijvers die woorden geven aan menselijke drijfveren, inzicht verschaffen in menselijk handelen en ons daardoor vormen. Hannie leunt achterover en herinnert zich haar eigen literaire ervaringen. Met lichte trots geeft zij blijk van haar kennis van de ouden. Maar zij vindt het niet persé noodzakelijk dat de jonge mensen van nu deze historische kennis overgedragen krijgen. Zij hebben hun eigen schrijvers, zegt ze kordaat, de zorgen van Heer-R wegwuivend.
Het wordt tijd voor de financiële vraag. Mevrouw-R verdenkt Zij-W ervan deze vraag belangrijker te vinden. Heer-R is nu minder op zijn gemak. De directheid van Zij-W's vraag naar wat de kosten zijn voor de nieuwe noden van het
V-theater (zijnde brandwerende gordijnen, een akoestische verbetering van de tussenvloer en meer financiële steun bij de producties) overvallen hem. Hij noemt de bedragen en Mevrouw-R scherpt de oren. Zij-W noteert het gevraagde, leunt opnieuw achterover en zegt met een glimlach om de lippen, die haar macht als heerseres over 'ons' geld bekrachtigt: alle instellingen vragen op dit moment geld, ik kan niets beloven.