November 2008: Een (on)gewone vrouw

 

Ik ben begin twintig en met een groep collega’s en vriendinnen besluiten we om op mijn kamer sinterklaas te vieren. Het is een kamer op de zolderverdieping van mijn ouderlijk huis. Ik heb een eigen bel.
We willen een Sint die complimenten, cadeautjes èn standjes uitdeelt. Mijn vriendin Els neemt de rol op zich. Met ons rood- witte kerstlaken rond haar schouders en een door haar  zelfgemaakte papieren mijter op het hoofd meldt zij zich aan onze voordeur. Haar ene hand draagt een mand met verrassingen en haar andere houdt een roe vast, gemaakt van enkele takjes uit de tuin. Mijn moeder speelt mee. Zij is verrast door dit hoge bezoek en leidt de goedheilig man twee trappen op. Ik ben er verwonderd over dat alle volwassenen spontaan de verwachte rol aannemen. Mijn moeder spreekt eerbiedig tegen Sinterklaas en een kring vrouwen van tussen de twintig en de dertig zit in gespannen afwachting van de dingen die komen gaan.
Als de Sint door mijn moeder naar de juiste deur is gebracht, heeft zij eigenlijk geen taak meer. Zij moet de trap af naar de verdieping op de eerste etage. Dat is zij ook van plan. Maar zij draalt achter de drempel. Met haar grijsgroene ogen kijkt ze verlegen lachend naar de pret binnen. Een lachen dat héél af en toe kan overgaan in een onbedaarlijke slappe lach, zoals die keer toen de jezuïtische pastoor ons in het ouderlijk huis bezocht en mijn vader zich uitsloofde om het hem naar de zin te maken. In de keuken koffie zettend leunde ze krachteloos tegen de rand van het aanrecht, ondertussen de beleefde vragen van mijn vader aan de pastoor herhalend. Ze is dan bijna 50 jaar!

In feite is ze ernstig maar over te halen tot plezier. Vooral met jonge mensen en helemaal als ze weet dat haar kinderen bij dat plezier betrokken zijn. Ze weet ook dat ze niet meer bij deze groep jonge volwassenen hoort en dat zij ons alleen moet laten. Het is meer dan veertig jaar geleden en toch zie ik haar staan in de deuropening van mijn kamer, aarzelend hakend naar levenslust en tegelijkertijd beseffend dat het niet meer kan. Haar wangen hebben zachte lijnen rond de jukbeenderen. Veel rimpels heeft ze niet. De linker arm ligt op maaghoogte tegen haar lichaam. De hand steunt de rechter elleboog. De duim, wijs- en middelvinger van de rechter hand steunen haar kin. Het is haar karakteristieke houding. Het grijze haar is door permanent extra gekruld. Het lichaam, dat twintig jaar daarvoor nog geen honderd pond woog, is uitgezakt. Een corselet houdt de slapte van buik en borsten op zijn plaats. Sporten was de gewoonte niet, hard werken wel. Maar dat was niet genoeg om het verval in toom te houden.