Augustus 2009: De levertraanvlek

 

Mijn moeder is zuinig. Zuinig op haar kleren. Dat moet ook, want er is niet veel geld.
Ze heeft een goede smaak. Ze haat klungels en koopjes. Dus koopt ze weinig maar dure kleren. Dat betekent dat zij de nieuwste aanschaf draagt als zij naar haar werk gaat, als er visite komt en als ze uitgaat. Dit laatste gebeurt maar hoogst zelden.
Als haar zus met haar man uit Schotland overkomt bijvoorbeeld. Dan ken ik mijn ouders niet terug. De levenslustige Schot, die mijn tante in de oorlog heeft leren kennen, weet altijd wel een plek te vinden waar een thé dansant plaatsvindt. Of mijn moeder gaat met haar zus naar de film. Plotseling zie ik haar dan voor de spiegel staan en oorbellen passen. Ze maakt zich op. En twintig jaar jonger loopt ze naast haar frivole zus richting bioscoop.

In huis draagt mijn moeder de kleren die door vele jaren van gebruik zijn gedegradeerd.
Nieuwe aankopen zijn gebeurtenissen, waarbij de hele familie meeleeft. Terugkomend uit de stad showt mijn moeder het gekochte en mijn vader, die vaak meegaat, staat glunderend een halve meter achter haar. Oma, opa, mijn zus en ik kijken keurend naar de nieuwe aanwinst.
Mijn moeder is niet alleen blij met haar bezit, ze is ook zorgelijk. Bang of ze het wel goed heeft gedaan.

Heel af en toe komt ze plotseling met iets thuis dat ze onverwachts en alleen heeft gekocht. Iets waar ze 'tegenaan gelopen is'. Zo herinner ik mij een paarse trui met een V-hals. De V-hals krijgt extra accent doordat hij bestikt is met een stukje stof van zo'n twee centimeter breed. De kleur staat haar prachtig. Het diepe paars haalt haar groengrijze ogen op en steekt af tegen het erg vroeg grijzende haar. Deze keer houdt mijn moeder tegen haar gewoonte in de trui aan. Ze draagt hem tijdens het eten en onder het wassen van de kinderen.
Na het poedelen krijgen wij levertraan. De gelige vloeistof wordt in een porseleinen, witte lepel gegoten, ovaal van vorm en in een punt uitlopend, met aan de andere kant een oortje dat niet helemaal sluit, om hem vast te houden. Soms strooit zij wat suiker over de levertraan om de walgelijke smaak wat te verzachten. Mijn zusje en ik slikken van dezelfde lepel. We mogen kiezen wie het eerst hapt.
Het is zaterdagavond. Beurtelings zijn we in de keuken in een teil in bad geweest. Mijn zusje is als eerste gegaan en in hetzelfde water ga ik als tweede. Om het afkoelende water wat aangenamer te maken, wordt er een pan heet water bij gegooid. De week daarop gaat het andersom. De stemming is vrolijk, iets uitgelaten. Na de teil komt de levertraan. Deze avond zonder suiker. Ik weet niet waarom. Mijn zusje opent als eerste haar mond. Ik begin te giechelen, mijn moeder begint te giechelen en mijn zusje begint te proesten. De levertraan, die net in haar mond zit, spuit tussen haar lippen door op de nieuwe paarse trui van mijn moeder. Van de ene seconde op de andere verandert de stemming.
Een cluster donkere vetvlekken ligt als een nonchalante broche rechts op de paarse trui.
Wat nooit gebeurt, dreigt nu. Ze legt de wit porseleinen lepel uit haar handen en heft haar rechterarm in de richting van mijn zusjes' hoofd. Mijn opa, die op de achtergrond het hele tafereel heeft gadegeslagen, komt meteen tussenbeide: "niet doen, Leen", zegt hij, "het zijn kinderen".
Mijn moeder laat haar arm zakken, pakt de levertraanlepel en geeft mij mijn portie.
Ik was bang geweest toen zij dreigde te slaan. Ik had mijn zusje aan het lachen gemaakt. Ik vond de snelle stemmingswisseling van opgewekt naar dreigend eng. Mijn moeder oogt snel rustig. Nadat ik geslikt heb, trekt ze de trui uit en knijpt met een theedoek het vet eruit. Boven het kant van haar vleeskleurige onderjurk en de dito kleur bustehouder zie ik dieprode vlekken en een dikke keel ter hoogte van het strottenhoofd.
"Waarschijnlijk krijg ik het niet meer goed", zegt ze. "Maar ja".

Ik kan me niet herinneren dat ze de trui ooit draagt, zelfs niet binnenshuis.