Mijn ouders deden mijn zusje en mij op de Montessorischool. Voor die school moest extra betaald worden, en geld was er niet zoveel. Toch organiseerden ze hun financiën zo dat wij dit bijzondere onderwijs konden volgen. Voor mij was dat een geluk. Ik kon in die jaren nog geen drie minuten stil zitten. En omdat ik niet in de gaten had dat er iets van mij verwacht werd bracht ik mijn dagen vrolijk door met rondkijken, praten, lachen en met een hamertje op toetsen slaan. Ik was alleen stil tijdens de gezamenlijke lessen waarin verhalen verteld werden, zoals de geschiedenis- en godsdienstles. Roerloos onderging ik hetgeen de nonnen vertelden. En vertellen konden zuster Apollino en zuster Josepha.
Ook als ik me terug trok op de oudroze geverfde leesbank kon ik stil zitten. Deze bank moet zelf gemaakt zijn, hij was uitzonderlijk van uitvoering. Boven het zitgedeelte waren kastjes zonder deurtjes met plankjes waarop de boeken per soort en per klas gesorteerd stonden. Aan de linker zijleuning zat een kindhoog kastje mèt deur. Erop een zilveren knopje dat je kon indrukken om hem open te maken: hier stonden de boeken van een nog hoger niveau. Ik onderging een gevoel van geluk als ik me met de zwarte letters op het witte, in mijn herinnering vaak glanzende, papier verbond.
Met rekenen en grammatica was ik angstaanjagend achter, met lezen ver voor. Noch aanmoedigingen, noch standjes hielpen. Ook de briefjes die mijn zusje Annemarie mee naar huis kreeg hadden niet het gewenste effect. Omdat het Montessorionderwijs met verschillende leeftijdniveaus in één lokaal werkt, zat ik bij mijn twee jaar oudere zusje in de klas. Zij was een uitstekende leerling: goed, zelfstandig en bovenal rustig. Mijn ouders deden niet zoveel met die briefjes. Ze vonden het allemaal zo erg niet. Hoewel ze nergens voor doorgeleerd hadden voelden ze aan dat ik strikt genomen nog niet toe was aan de eisen die de school aan een kind stelt. Het allerergste waren de handwerklessen. Ik herinner me strak getrokken stukjes breiwerk, vochtig van zweethanden, die ik vaak woedend van onmacht door de klas smeet. Soms kreeg Annemarie breinaalden en katoen mee naar huis met de vraag of mijn moeder met mij wilde oefenen. Mijn moeder liet me steek na steek op de breipen zetten en om me op gang te helpen breide zij voor mij twee naalden. Dan moest ik het overnemen en binnen de kortste keren ging het weer mis. Lang zat ze me niet achter de vodden. In breien was ze goed, maar in andere naaldvakken was ze onhandig. Ze herkende mijn wanhoop wel.
Dit onderwijs werkte –toen althans- niet met overgaan. In het nieuwe schooljaar ging je verder met de stof vanaf het punt waar je gebleven was. Zo doorliep ik toch de verschillende klassen en kwam ik in de vijfde terecht. Daar overkwam mij iets heerlijks: we gingen een buitenlandse taal leren, Frans. Doordat ik familie in Duitsland en Schotland had, was het horen en (proberen te) spreken van een vreemde taal niet helemaal nieuw. Maar woorden zwart op wit gedrukt zien, ze goed leren uitspreken, ze van buiten leren, overhoord worden, dat alles maakte me opgetogen. Die Franse lessen vonden na schooltijd plaats. Geen probleem. Weg onrust, weg ongeduld. Een en al aandacht.
Op een keer zouden wij het Franse Onze vader van het bord overschrijven, we zouden het thuis van buiten leren en bij de eerstvolgende les beurtelings vóór de klas opzeggen. Ik vond het eng maar tegelijkertijd verheugde ik mij er op. Ik had pech. Enige dagen voordat het beloofde gebed op het bord zou staan, werd ik ziek. Ik had dus geen tekst om uit mijn hoofd te leren. Mijn buurmeisje en vriendinnetje kwam op ziekenbezoek en ik vroeg haar of zij het Onze Vader twee maal wilde overschrijven en mij één exemplaar de volgende dag wilde brengen. Zo zou ik toch de tekst van buiten kunnen leren. Hartelijker dan ik verwachtte beloofde ze het te doen. Om vier uur zat ik een beetje zenuwachtig klaar. Wie er kwam, geen Yvonne. Ik vroeg aan mijn moeder of ik het papier bij haar mocht ophalen. Ze woonde vlakbij en morgen zou ik toch weer naar buiten en naar school gaan. Het mocht. Ik liep er heen en belde aan. Van boven af werd de deur met een touw open getrokken. Yvonne kwam twee treden omlaag. Ze vroeg me niet binnen zoals ik gewend was. Ik vroeg naar het Franse Onze Vader. Alsof nergens over gesproken was, alsof er niets beloofd was, zei ze: ‘Ik heb dat Onze Vader niet bij me. Ik heb er niet meer aan gedacht.’ Ze maakte meteen aanstalten om weer naar binnen te gaan. Alhoewel ik het Notre Père thuis wilde leren en vaak hardop wilde oefenen, stelde ik voor om het samen in te studeren. Dat ging niet, zei ze, ze wilde vroeg naar bed omdat ze zich niet lekker voelde. Ze draaide zich resoluut om en liep de paar treden omhoog terug. Ik had een raar gevoel van binnen. Huilend liep ik terug naar huis.‘Dat is zij niet vergeten’, zei mijn moeder, ‘en ziek is ze nog minder. Dat zegt ze omdat ze jaloers is. Ze is zelf niet goed en nu heeft zij een kans om haantje de voorste te zijn. Maar wacht maar.’ Ze stierde naar boven naar een diepe kast op een koude slaapkamer, waar kleren in mottenballen hingen en kartonnen dozen stonden met foto’s en oude schoolspullen. Door woede en wraaklust gedreven sleurde ze alle dozen de kast uit tot zij haar doos met schoolschriften uit de laatste klas van de lagere school vond. Op alle etiketten stond met haar regelmatige handschrift: Leny van den Heuvel. En op het schrift met de paars gebleekte kaft stond: Leny van den Heuvel, Frans. Ze maakte haar wijsvinger nat door hem even in haar mond te steken en bladerde razendsnel door het schrift. Ze wist zeker dat het Notre Père er in stond. En zo was het ook. Samen gingen we terug naar de keuken. Daar las ze me het Franse Onze Vader voor. Ze vond het leuk om die ooit geleerde zinnen weer in haar mond te nemen. Ik blokte die avond als een bezetene voor de presentatie van de dag erop. Mijn moeder overhoorde me voor ik naar bed ging twee keer en nog ‘n keer de volgende ochtend voor ik naar school ging. Toen ik tijdens de les mijn Notre Père vol trots opzei begon de non te lachen. Ze vroeg hoe ik aan deze tekst was gekomen en ik vertelde mijn belevenissen voor de hele groep, het commentaar van mijn moeder op mijn vriendinnetje en mijn huilen weglatend. In mijn moeders versie stonden, zo bleek, oude woorden die niet meer gebruikt werden. Daarom moest zuster Josepha lachen. Aan de hand van dit voorval legde ze ons uit hoe een taal in de loop van de tijd verandert. Levend blijft zou ik nu zeggen.
Yvonne keek weg, met holle ogen achter de brillenglazen, het dunne korte haar stijf tegen het hoofd aanliggend met als enige uitzondering een lok als krul op het voorhoofd geplakt.