De Glasbak 1

De vrouw woonde in het souterrain van een herenhuis aan de rand van het park. Het huis boven haar werd bewoond door een alleenstaande man.
Dat alleen-staan kwam per ongeluk. De vrouw-van-de-man werd ziek op haar vijfenveertigste en ging dood. Er waren geen kinderen. Hij kwam niet op het idee om de deur uit te gaan en een nieuwe vrouw-van-de-man te zoeken. Hij wist alleen de weg naar zijn werkkamer. Tussen zijn boeken en zijn schrijfmachine voelde hij zich prettig. Een computer stond onuitgepakt in de hoek van zijn kamer, klaar voor de stort, zo leek het wel.
De enige die zijn huis betrad, was de vrouw-uit-het-souterrain. Zij was tien jaar jonger dan hij. Ze ruimde tweemaal per week zijn kamer op, terwijl hij met gebogen hoofd door het park wandelde. Als hij dacht dat niemand op hem lette, liep hij hetzelfde rondje drie tot vijf keer. Was het druk, dan hield hij het bij één. Ver weg durfde hij niet meer. Behoefte aan lopen in de frisse lucht had hij wel.
Het was een mooi park. Veel oude bomen, een hertenkamp, een vijver met eendjes. Hij keek er stiekem naar, maar bleef nooit stil staan. Hij wilde niet aan voorbijgangers laten zien dat hij de dingen om zich heen observeerde. Op de dagen dat de vrouw-uit-het-souterrain in zijn huis bezig was, kookte zij ook voor hem. Dat zij voor twee personen kookte en háár deel mee omlaag nam, ontging hem.

De vrouw-uit-het-souterrain had nooit hoeven te betalen voor de kelderverdieping. Zij had lang voor het huishouden van de man en de toen nog levende vrouw-van-de-man gezorgd. Vanaf het begin mocht de vrouw-uit-het-souterrain onder het herenhuis wonen. Dat was een buitenkansje. De kelderverdieping was goed onderhouden. De rustige, witte muren en de cementen vloer bevielen haar. Ze kon er koken en wassen. De kleine lichtgrijze formica keukentafel en de twee rode keukenstoelen die er stonden, waren goed. Goed was ook de donkergroene slaapbank.

De man ging elke ochtend naar zijn kamer en de vrouw-van-de-man naar haar werk. 's Avonds zagen ze elkaar aan de keukentafel in het herenhuis en aten met z'n drieën.

Maar na de dood van de vrouw-van-de-man had de vrouw-uit-het-souterrain geen andere werkverplichting meer dan het schoonhouden van de studeerkamer van de man boven haar. Ook haar eigen ondergrondse woning hield ze goed op orde. Zij ging graag voor korte wandelingen naar buiten. Maar nooit zonder doel. Doelloos wandelen durfde ze niet. Dan leek het of de buitenwereld op haar lette. In de ochtend ging zij naar de buurtwinkel en kocht het eten voor die dag. Ze kon er alles krijgen: brood, kaas, melk, groenten, vlees. Ook toiletartikelen. Weer thuis ruimde zij de boodschappen op en nam koffie. Onder het opdrinken koos ze een raam waardoor zij naar buiten keek. Ze had drie mogelijkheden: twee ramen die op het park uitkeken en een klein raam dat op de achtertuin uitkwam. Het liefst keek zij door het rechterraam aan de voorkant. Ze zag dan het grijze beeld van de leeuw in het groene gras. Soms renden daar kinderen omheen. Daarna nam zij de krant van de dag ervóór, die de man gewoon was bij haar deur te leggen. Meestal koos ze een artikel over economie. Ze las het twee tot drie keer door om het te kunnen begrijpen. Haar middagboterham nam ze mee naar buiten in een oude broodzak. Alsof ze ergens op tijd moest zijn, beende ze naar het park. Bij het hertenkamp bleef zij staan. Als ze alleen was, at ze daar haar brood en kregen de toegelopen dieren een deel van de korst. Stond er iemand naast haar, dan deed ze alsof ze de herten voerde en ging met een lege maag naar huis. Ze dronk karnemelk met haar ogen gericht op het tafelblad. Was de beker leeg, pakte ze papier en potlood. Ze werkte aan een oog. Lang bleef ze stil zitten, alvorens zij voorzichtig verder tekende. Zij stond op en pakte het boek met de afbeeldingen erbij. Ze wilde natuurgetrouw blijven.

Na anderhalf uur stond zij op en legde boek, papier en potlood terug in de kast. Zij maakte haar avondeten klaar. Vandaag hoefde zij niet naar boven.
Gelukkig had zij een glazen pot naar de glasbak te brengen. Zo kwam zij aan haar derde wandeling. De glasbak stond op een pleintje achter het park. Het was de langste wandeling die zij kon maken. Ze liep dan niet dóór het park, maar er omheen. Zo kreeg zij iets van de sfeer van de stad mee. Omdat het avond was liep ze extra stevig door, alsof ze op tijd in de schouwburg moest zijn of bij de bioscoop, waar iemand op haar wachtte, met wie ze had afgesproken. Thuis was de thee die gezet moest worden. Ze verzonk in gedachten. Ze werd opnieuw naar de kast gedreven, naar haar papier en potlood. Het voorbeeldboek liet ze liggen. Ze nam een schoon blad en tekende.
Uit haar hoofd tekende ze een oog dat niet klopte.