|
Het was voorjaar. De vrouw-uit-het-souterrain stond voor haar keukenblok. Haar beide handen om de rand van het aluminium aanrecht. Haar duimen lagen boven, haar tweemaal vier vingers onder. Zij leunde op de muizen van haar beide handen. Zij keek in de tuin van de man uit het herenhuis boven haar. Ze zag een deel van het goed gemaaide gras en de lage plantjes met de kleine rode en witte bloempjes: begonia’s.
Dat kort houden van het gras deed de man-uit-het-herenhuis waarschijnlijk zelf. Ze had hem nooit actief bezig gezien, maar omdat zij geen tuinman rond het huis had waargenomen, kon zij geen andere conclusie trekken dan dat de man-uit-het-herenhuis het zelf deed.
De aanblik van gras en plantjes was ordelijk. Dat gaf haar een prettig gevoel. Maar diep in haar lichaam weggeborgen werd zij een weerzin gewaar. Een weerzin tegen deze aanblik van georganiseerde saaiheid.
Haar oog viel op de kleine, witte plastic reiswekker die op de plank boven het aanrecht stond. Het was tien over tien. Ze wilde wel koffie zetten.
Onverwacht een tikken tegen een van de twee voorramen van het souterrain aan de voorkant van het herenhuis, die op het park en de straat tussen park en huis uitkeken. Ze schrok. De vrouw kon zich niet herinneren wanneer iemand haar voor het laatst in dit souterrain had bezocht. Ze zag het naar voren gerichte gezicht van haar vader. Naast hem rechtop, de arm door die van haar man stekend, haar moeder. Van haar stuk gebracht liep zij naar de voordeur van het souterrain en opende hem. Op slot zat hij niet. Haar vader liet de arm van haar moeder zakken, bukte automatisch iets en liep naar binnen. Haar moeder volgde.
Haar vader was 85. Hij was lang en slank. Het dunner geworden asblonde haar door een scheiding in twee parten verdeeld, was strak naar achter gekamd. Grijs was hij nauwelijks. Hij droeg een blauwgrijze gabardine regenjas. De jas hing los.
De vrouw keek naar zijn lichtblauwe, zachte ogen met de verlegen blik. Een aarzelende glimlach om de wat dikke lippen. Op de witte wangen rode gesprongen adertjes ter hoogte van de jukbeenderen. In zijn stevige handen had hij een pakje café noir. Haar moeder was een kop kleiner dan haar vader. Met een lichte glimlach stond zij versteend van verlegenheid naast hem. Zij liep tegen de 80. Haar stug krullende haar was helemaal grijs. Haar lichtgroene, getailleerde lentejas accentueerde haar nog altijd tengere gestalte. Aan haar linker onderarm droeg zij een donkerblauwe leren handtas en schoenen met blokhakken in dezelfde kleur. Haar moeder had een zacht gezicht dat geaccentueerd werd door de iets welvende jukbeenderen. De dunne lippen kleurden op door lichtroze lippenstift. In haar ogen zag je de kleuren grijs, groen en blauw.
Zij liet haar moeder plaats nemen op de donkergroene slaapbank. Haar vader op een van de rode keukenstoeltjes. De lichtgrijze formica keukentafel schoof zij in de richting van de bank. De pootjes schraapten over de cementen vloer. Haar vader vroeg om een keukenmesje. Voorzichtig sneed hij het bovenste deel van het papier los waarin de koekjes verpakt waren. Hij sneed aan drie kanten. Zo ontstond een dekseltje waarmee de koekjes bedekt konden blijven. Haar moeder zette de handtas tegen de bank op de grond, knoopte haar jas open en liet hem van haar schouders glijden. Zij liet hem rond haar buik op de bank rusten.
De vrouw was in de war dat haar ouders haar onverwachts bezochten. Dat zij alleen per post bereikbaar was realiseerde zij zich niet. Het was bijna een jaar geleden dat zij elkaar zagen. Haar vader vierde toen zijn 85ste verjaardag. De vrouw had genoeg koffie, suiker en melk in huis. Zij pakte de koffiebus die op de plank boven het aanrecht stond en schepte met een eetlepel zes scheppen bonen uit het pakje in een handkoffiemolen. Haar vader nam de molen van haar over, zette hem tussen zijn knieën en maalde. Ondertussen deed zij drie kopjes water in de elektrische waterkan en zette pot en filter klaar om de koffie te kunnen opschenken. De koffie verspreide zijn weldadige geur. Eenmaal in de stenen bekers werd hij op smaak gebracht met een schepje suiker en gekookte melk. Alle drie roerden en nipten zij. De vrouw voelde haar aanvankelijke weerzin wegzakken. Zij duwde drie koekjes uit het pakje naar voren. Met de bruine glacé kant naar boven lagen ze op het lichtgrijze tafelblad. ‘We hadden zin om naar je toe te komen’, zei haar vader. Hij stond op en liep terug naar de deur. Hij pakte de rol die zij buiten hadden laten staan en gaf die aan zijn vrouw. Haar moeder glunderde. Trots verdreef de verlegenheid. Uit de kartonnen koker trok zij een blad papier tevoorschijn en legde het op de punt van de keukentafel. De vrouw schoof koekjes en bekers voorzichtig wat opzij zodat het nog omkrullende papier glad gestreken kon worden. Op het witte vel was een gezicht te zien. Met een schok herkende de vrouw zichzelf.
|