De glasbak 3

  Tweemaal per maand, op woensdagmiddag, gaat de vrouw-uit-het-souterrain met lijn 52 naar een park dat enkele kilometers verderop ligt. Zij doet dat in elk seizoen en bij bijna elke weersgesteldheid. Alleen als er onweer dreigt blijft zij thuis. Het park is veel groter dan dat vlakbij haar huis. Er is bovendien meer variatie in bloemen, struiken en bomen. Vanuit haar kelderwoning loopt zij op die middagen de kleine stenen trap omhoog en gaat door het lage hekje rechtsaf de straat uit. Slaat zij voor een tweede maal rechtsaf, dan is zij bij de bushalte. Zij is altijd ruim vóór de vertrektijd aanwezig. Ooit, in een argeloze periode, kwam zij op het nippertje en zag hoe de bus haar halte passeerde. Al van ver besloot de chauffeur dat er geen wachtende passagiers waren en reed door. 

Het uitstapje brengt precies die mate van opwinding teweeg die zij kan verdragen. Vanaf de halte waar de vrouw-uit-het-souterrain opstapt schommelt de bus al snel door de buitenwijk van de stad. Eenmaal buiten de bebouwde kom rijdt hij met verhoogde snelheid door een landschap van grasland en bomen. Hier en daar stijgt de weg zelfs iets. Na veertig minuten arriveert de bus bij de halte, vlakbij het grote ontspanningspark. De volwassenen kunnen er wandelen en in het voorjaar en de zomer naar de weelderig groeiende bloemen kijken. In de herfst kleuren de bladeren aan de bomen als overal rood en geel. Maar meer nog dan van de volheid van de zomer en de melancholie van de herfst, geniet de vrouw-uit-het-souterrain van de kale bomen in de winter. De vorm is dan duidelijk te zien. En als contrast met de naakte bomen zijn er de grote, hoge, altijd groene, altijd geurende dennenbomen.

 

Voor de kinderen is er in het park een ruime zandbak met daarnaast een speeltuintje. Rondom de zandbak staan banken voor de vaders en de moeders. In plaats van de ouders houden soms oma’s of opa’s de kleintjes gezelschap. Na een wandeling door het park gaat de vrouw-uit-het-souterrain graag op een van die banken zitten. Voor de vorm heeft zij een krantenartikel bij zich, als om haar rustpauze te legitimeren. Maar het liefst kijkt zij naar de spelende peuters en kleuters. De wurmpjes die net op hun beentjes kunnen staan en zonder besef van plaats en tijd door de kleine menigte waggelen of de kleuters met hun al meer uitgesproken gezichtjes en behendige lichaampjes. Sommige ouders en kinderen ziet de vrouw-uit-het-souterrain vaker. Hoopt er zelfs op, hen terug te zien in het park. Het meest kijkt zij uit naar de tengere jonge vrouw met het lange donkerblonde haar, dat in een paardenstaart wordt bijeengehouden, en de erg blauwe ogen. Aan haar hand een welgevormd klein blond kindje. Alhoewel het kindje op het eerste gezicht niet op haar moeder lijkt heeft zij wel dezelfde grote blauwe ogen. De kleine kijkt aandachtig de wereld in. Het geconcentreerde gezichtje breekt af en toe open in een lieve, stralende glimlach. Soms kijkt de jonge vrouw in de richting van de bank waarop de vrouw-uit-het-souterrain zit, en lijkt het alsof zij haar wil groeten. In plaats van terug te groeten kijkt zij dan snel in haar krant. Haar hart klopt. Graag zou zij terug groeten. Vandaag, zo neemt zij zich voor, zal zij de jonge moeder in ieder geval toeknikken, misschien blijft die dan wel even staan, zodat  zij ook het kleine meisje van dichterbij kan zien.

 

Vanaf de bushalte loopt de vrouw-uit-het-souterrain deze keer langs het kleine houten café waar mensen koffie drinken aan ronde groene plastic tafels met bijpassende stoelen. In groepjes van twee of drie praten zij opgewekt met elkaar. Een enkele man of vrouw zit alleen. Ze veroorlooft zich een blik op de gasten, houdt een seconde haar pas in en loopt daarna door naar de banken rond de zandbak. Het is een prettig warme augustusdag, het waait licht. De vrouw-uit-het-souterrain kiest een lege bank in het midden van de in een halve cirkel staande banken. Zij zit met haar kleine tas op schoot en opent na een paar seconden de rits om haar artikel voor de dag te halen. Het gaat over strengere regels voor het bankwezen om mensen die in goed vertrouwen hun geld weg brachten beter te kunnen beschermen. Na enkele regels kijkt de vrouw-uit-het-souterrain op en ziet op enige afstand een groepje jonge vrouwen met hun kinderen het zandbakgedeelte van het park binnenkomen. Onder hen ook de jonge vrouw met haar kleine blondine. Twee vrouwen uit het gezelschap dragen samen een grote rieten tas, een mand bijna. De vriendinnen kijken naar een geschikte bank en één van hen wijst naar een lege in de schaduw. Ze zijn het eens. Als het groepje de bank passeert waarop de vrouw-uit-het-souterrain zit, kijkt de jonge paardenstaartvrouw even haar kant op. De kleine naast haar merkt het meteen: ‘naar wie kijk je mama?’, vraagt ze. De moeder geeft als antwoord: ‘zwaai maar naar die mevrouw, we zien haar wel eens vaker.’ Als vanzelf voelt de vrouw-uit-het-souterrain haar eigen rechterhand licht omhoog gaan. Dan grijpt zij snel het bijna wegwaaiende krantenartikel.

Meestal slaat de vrouw twee bussen over. Daarna gaat zij terug naar de straat waar zij woont. Op de terugweg kijkt zij niet meer uit het raam. Met het hoofd iets omlaag houdt zij haar kleine tas op haar schoot, stevig met beide handen omklemd. Deze keer drukt zij hem zo hard tegen haar buik dat het pijn doet. Als zij uitstapt verlangzaamt zij haar loop. Zij wil het terug naar binnen gaan uitstellen. Na het eten zal zij nog een keer naar buiten lopen, neemt zij zich voor. Zij heeft een lege fles klaar staan voor de glasbak.

Binnen trekt ze haar korte lichte regenjas uit en hangt hem samen met haar tas op de haak die links naast de deur aan de muur is bevestigd. Haar beide vlakke handen zoeken steun tegen de muur. Ze voelt de kapstokhaak tegen haar voorhoofd priemen. Even drukt ze stevig door en hoort hoe een kreet haar keel ontsnapt.