![]() |
![]() |
De glasbak 3 |
| Toneelvoorstellingen |
Het uitstapje brengt precies die mate van opwinding
teweeg die zij kan verdragen. Vanaf de halte waar de vrouw-uit-het-souterrain opstapt schommelt de bus al snel door de buitenwijk van de stad. Eenmaal buiten
de bebouwde kom rijdt hij met verhoogde snelheid door een landschap van
grasland en bomen. Hier en daar stijgt de weg zelfs iets. Na veertig minuten arriveert
de bus bij de halte, vlakbij het grote ontspanningspark. De volwassenen kunnen
er wandelen en in het voorjaar en de zomer naar de weelderig groeiende bloemen
kijken. In de herfst kleuren de bladeren aan de bomen als overal rood en geel.
Maar meer nog dan van de volheid van de zomer en de melancholie van de herfst,
geniet de vrouw-uit-het-souterrain van de kale bomen in
de winter. De vorm is dan duidelijk te zien. En als contrast met de naakte
bomen zijn er de grote, hoge, altijd groene, altijd geurende dennenbomen.
Voor de kinderen is er in het park een ruime zandbak met daarnaast
een speeltuintje. Rondom de zandbak staan banken voor de vaders en de moeders.
In plaats van de ouders houden soms oma’s of opa’s de kleintjes gezelschap. Na
een wandeling door het park gaat de vrouw-uit-het-souterrain graag op een van die banken zitten. Voor de vorm heeft zij een krantenartikel
bij zich, als om haar rustpauze te legitimeren. Maar het liefst kijkt zij naar
de spelende peuters en kleuters. De wurmpjes die net op hun beentjes kunnen
staan en zonder besef van plaats en tijd door de kleine menigte waggelen of de
kleuters met hun al meer uitgesproken gezichtjes en behendige lichaampjes.
Sommige ouders en kinderen ziet de vrouw-uit-het-souterrain vaker. Hoopt er zelfs op, hen terug te zien in het park. Het meest kijkt zij
uit naar de tengere jonge vrouw met het lange donkerblonde haar, dat in een
paardenstaart wordt bijeengehouden, en de erg blauwe ogen. Aan haar hand een
welgevormd klein blond kindje. Alhoewel het kindje op het eerste gezicht niet
op haar moeder lijkt heeft zij wel dezelfde grote blauwe ogen. De kleine kijkt aandachtig
de wereld in. Het geconcentreerde gezichtje breekt af en toe open in een lieve,
stralende glimlach. Soms kijkt de jonge vrouw in de richting van de bank waarop
de vrouw-uit-het-souterrain zit, en lijkt het alsof
zij haar wil groeten. In plaats van terug te groeten kijkt zij dan snel in haar
krant. Haar hart klopt. Graag zou zij terug groeten. Vandaag, zo neemt zij zich
voor, zal zij de jonge moeder in ieder geval toeknikken, misschien blijft die dan
wel even staan, zodat zij ook het kleine
meisje van dichterbij kan zien.
Vanaf de bushalte loopt de vrouw-uit-het-souterrain deze keer langs het kleine houten café waar mensen koffie drinken aan ronde
groene plastic tafels met bijpassende stoelen. In groepjes van twee of drie
praten zij opgewekt met elkaar. Een enkele man of vrouw zit alleen. Ze
veroorlooft zich een blik op de gasten, houdt een seconde haar pas in en loopt
daarna door naar de banken rond de zandbak. Het is een prettig warme
augustusdag, het waait licht. De vrouw-uit-het-souterrain kiest een lege bank in het midden van de in een halve cirkel staande banken.
Zij zit met haar kleine tas op schoot en opent na een paar seconden de rits om
haar artikel voor de dag te halen. Het gaat over strengere regels voor het
bankwezen om mensen die in goed vertrouwen hun geld weg brachten beter te
kunnen beschermen. Na enkele regels kijkt de vrouw-uit-het-souterrain op en ziet op enige afstand een groepje jonge vrouwen met hun kinderen het zandbakgedeelte
van het park binnenkomen. Onder hen ook de jonge vrouw met haar kleine
blondine. Twee vrouwen uit het gezelschap dragen samen een grote rieten tas,
een mand bijna. De vriendinnen kijken naar een geschikte bank en één van hen
wijst naar een lege in de schaduw. Ze zijn het eens. Als het groepje de bank
passeert waarop de vrouw-uit-het-souterrain zit, kijkt
de jonge paardenstaartvrouw even haar kant op. De kleine naast haar merkt het
meteen: ‘naar wie kijk je mama?’, vraagt ze. De moeder geeft als antwoord:
‘zwaai maar naar die mevrouw, we zien haar wel eens vaker.’ Als vanzelf voelt
de vrouw-uit-het-souterrain haar eigen rechterhand
licht omhoog gaan. Dan grijpt zij snel het bijna wegwaaiende krantenartikel.
Meestal slaat de vrouw twee bussen over. Daarna gaat zij
terug naar de straat waar zij woont. Op de terugweg kijkt zij niet meer uit het
raam. Met het hoofd iets omlaag houdt zij haar kleine tas op haar schoot, stevig
met beide handen omklemd. Deze keer drukt zij hem zo hard tegen haar buik dat
het pijn doet. Als zij uitstapt verlangzaamt zij haar loop. Zij wil het terug
naar binnen gaan uitstellen. Na het eten zal zij nog een keer naar buiten lopen,
neemt zij zich voor. Zij heeft een lege fles klaar staan voor de glasbak.
Binnen trekt ze haar korte lichte regenjas uit en hangt
hem samen met haar tas op de haak die links naast de deur aan de muur is
bevestigd. Haar beide vlakke handen zoeken steun tegen de muur. Ze voelt de
kapstokhaak tegen haar voorhoofd priemen. Even drukt ze stevig door en hoort
hoe een kreet haar keel ontsnapt.
|
|
| Toneelcursussen voor volwassenen | ||
| Profiel | ||
| Reserveren | ||
| Columns Heleen van den Berg ![]() |
||
| Studies Ad Beukering ![]() |
||
| Adres en Route | ||
| Donateurs | ||
| Contact | ||
| Lijst van gespeelde stukken |
||
| Veiligheid |