De glasbak 4

Het is eind september. Het weer is zacht alsof het zomer is. De vrouw-uit-het-souterrain loopt na het avondeten met enkele flessen in een tas richting glasbak. Ze neemt zich voor om na elke pot of fles die zij diep in de bak heeft laten vallen, een eindje terug richting haar huis te lopen en na een paar straten te doen alsof zij iets vergeten is en teruggaan naar haar bak. Zo kan zij de wandeling gelegitimeerd verlengen. Behalve als ze zo meteen merkt dat het druk is op straat. In dat geval zal zij haar tas in één keer legen met een geroutineerde snelheid alsof zij haast heeft, alsof zij even tussen de bedrijven door rommel moest wegbrengen.

Als zij het pleintje betreedt, waar de drie bakken achter elkaar staan opgesteld: een voor papier, een voor glas en een voor plastic, ziet zij op enige meters afstand een lange, slanke jongeman met donkerblonde krullen. Hij leunt met zijn billen tegen de bagagedrager van een racefiets. Het stuur, waaraan een helm bungelt, houdt hij met zijn rechterhand vast. Met een schok herkent de vrouw haar broer. De genetisch bepaalde zachte blik in zijn lichtblauwe ogen kijken in haar richting. Hij tilt zijn zitvlak van de fiets en loopt op haar toe. ‘Hoe weet je dat ik hier naartoe op weg was?’, vraagt de vrouw-uit-het-souterrain. ‘De man-uit-het-herenhuis kwam net zijn huis uit en zei me dat je waarschijnlijk glas wegbracht.’ Zij schrikt. Zij had niet gedacht dat ook maar iemand haar gangen zou kunnen nagaan. ‘En het klopt’, vervolgt haar broer licht plagend. ‘Ik kom je hier tegen. Een telefoon zou niet onhandig zijn, zusje.’ De vrouw-uit-het-souterrain kijkt weg. Ze is geërgerd dat haar broer zich met haar zaken bemoeit, tegelijkertijd is zij geraakt door het woord ‘zusje’. ‘Waarom zoek je me op?’, vraagt ze. ‘Is er iets?’ Haar broer pakt haar tas, hangt die naast zijn helm aan het stuur van zijn racefiets en loopt met haar in de richting van haar kelder. Het glas rammelt. ‘Papa is opgenomen’, zegt hij. ‘Vanmiddag. Je moet er even naar toe.’ De vrouw-uit-het-souterrain schrikt. ‘Nu?’, vraagt zij ongerust. ‘Ja nu’, zegt hij. ‘Zal ik met je meegaan?’ Ze knikt.

Bij haar thuis kijkt hij rustig rond. Vaak was hij hier niet. Meestal treffen zij elkaar bij hun ouders. Hij ziet de tekening die zijn moeder maakte en die nog op de formica tafel ligt. Ook het pakje café noir dat zijn vader onlangs meebracht ligt er nog. De vrouw-uit-het-souterrain zet de tas met de lege flessen naast het aanrecht. Zij pakt de kleine leren tas met de buskaart die aan de kapstokhaak hangt en kijkt haar broer aan. Hij ziet er goed uit, denkt ze. Hij is tien jaar jonger dan zij. Haar broer is verwonderd dat zij bij het weggaan haar deur niet afsluit. Op het moment dat hij daar iets van wil zeggen, ziet hij dat deze souterrain-deur helemaal geen slot heeft. ‘Je moet een slot op je deur laten maken’, zegt hij. ‘Dit kan echt niet zo. Je kunt het de man-uit-het-herenhuis vragen. Ik begrijp niet dat je je huis niet afsluit’. Zijn stem is vastberaden, maar niet hard, niet boos. Waarom zie ik hem niet vaker, denkt de vrouw-uit-het-souterrain. Ik ben op hem gesteld. Ze loopt haar deur uit, het stenen trapje omhoog. Haar broer, die zijn vervoermiddel nog binnenzet, komt even later achter haar aan. In twee grote stappen is hij boven.

Bij de bushalte kijken zij naar de lijn die ze moeten hebben. Als er een bus aankomt, zegt haar broer: ‘kom, we nemen deze, dan gaan we er in de buurt van het ziekenhuis uit en wandelen nog een stukje.’ Na tien minuten stappen ze uit en gaan lopend verder. Vlak voor de ingang van het hospitaal vraagt de vrouw-uit-het-souterrain plotseling: ‘Wat heeft papa?’ ‘Hij heeft een hartaanval gehad. Toen mama thuis kwam van het boodschappen doen lag hij ineengezakt op de bank. Ze heeft de huisarts gebeld. Die heeft de ziekenauto geregeld.’
Haar broer lijkt de weg in het gebouw te weten. Zij volgt hem door de stille, ontsmette gangen. Ergens bij een kamer stopt hij en gaat voorzichtig naar binnen. De vrouw-uit-het-souterrain volgt hem. Achter een wit plastic gordijn, alsof het een douche betreft, ligt haar vader met zijn ogen dicht. Het gezicht is bleek. Door de dunne deken is de beweging van zijn ademhaling te zien. Haar broer buigt zich en schuift teder met zijn lippen over zijn vaders wang. Dan stapt hij opzij zodat zijn zus dichterbij kan komen. De vingers van haar rechterhand gaan over de linkerhand van haar vader. Deze opent zijn ogen en beweegt zijn hoofd in de richting van zijn kinderen. Hij glimlacht. Zijn hoofd gaat terug en zijn ogen vallen weer dicht. De dunne deken ligt stil. Haar broer pakt zijn vaders handen. Even schokken zijn schouders.

Er komt een dokter. Op de gang wacht de vrouw-uit-het-souterrain tot haar broer klaar is met het gesprek dat hij met de arts voert. ‘We gaan naar huis’, zegt hij als hij zich weer bij haar voegt. ‘Mama moet op de hoogte gebracht worden’. ‘Het is donker buiten’, zegt ze angstig. ‘We gaan samen’, zegt hij, ‘en daarna breng ik je thuis. Ik moet toch mijn fiets nog ophalen.’

Buiten stelt hij voor om te lopen. Het is een wandeling van krap een half uur. Het zal hen goed doen. De vrouw-uit-het-souterrain stemt in. Eigenlijk vindt ze het fijn om zo laat nog buiten te kunnen zijn. Eenmaal in hun straat vertragen ze hun pas. Zal dit bericht hun moeder overvallen? Houdt zij rekening met de dood van haar man? En met een leven alleen? Haar broer drukt kort op de bel en maakt tegelijkertijd met een sleutel de voordeur open. Van achter uit de gang komt de oude vrouw hen tegemoet lopen. ‘En?’, vraagt ze. Haar broer pakt het hoofd van zijn moeder vast. Een korte kreet ontsnapt aan de oude vrouw. Ze valt met haar voorhoofd tegen zijn schouder.

In de keuken drinken zij thee en eten stroopwafels. ‘Kun je morgen terugkomen?’, vraagt de moeder aan haar zoon, ‘dan spreken we af wat er gedaan moet worden.’ Hij knikt. ‘Wil je nu naar bed?’, vraagt hij. Zijn moeder staat op. ‘Ja’, zegt ze, ‘ik ben moe, ik wil graag liggen.’

Broer en zus lopen samen door het donker naar de woning van de vrouw-uit-het-souterrain. Vlakbij haar huis legt hij zijn arm om haar schouder, even neigt haar hoofd naar links om tegen hem aan te leunen. ‘Mama woont nu alleen’ zegt hij, ‘er zou ruimte genoeg voor je zijn om je eigen kamers te hebben.’ De vrouw-uit-het-souterrain doet een stap van hem vandaan, ze balt haar vuisten in haar jaszakken. ‘Ik blijf hier’, zegt ze.