![]() |
![]() |
De glasbak 5 |
| Toneelvoorstellingen |
Nu haar vader overleden was zat de vrouw-uit-het-souterrain vaak op haar groene slaapbank naar de witte muur tegenover haar te kijken. Vroeger hadden daar foto's gehangen. Foto's van mensen die zij niet kende maar die haar door hun boeken vertrouwd waren geworden. Die haar hadden geholpen iets van de wereld te begrijpen. Die haar vader en moeder vervingen. Beschermd voelde zij zich al lang niet meer door haar eigen ouders. Vanaf het moment dat ze thuis wegging had ze het gevoel gehad dat zij omgekeerd iets voor hen moest doen. Dat zij hen zo weinig opzocht gaf haar een ongemakkelijk gevoel. De eerste foto die zij met een klein spijkertje aan haar witte muur had opgehangen was die van de Duitse schrijver Heinrich Böll geweest. Een al wat kalende man, met het ronde achterhoofd van de Rijnlander en met ogen die veel zien en nog meer gezien hadden. Hij was van de generatie van haar vader. Geboren in 1917 in Keulen. Een jonge volwassene in nazi-Duitsland. In zijn boeken las zij dat je een onburgerlijk bestaan kon leiden, je je niet hoefde te storen aan conventies, je je vooroordelen opzij kon zetten, dat je je eigen weg kon gaan. Zijn kritische houding tegenover zijn land bemoedigde haar. Dat hij zich mengde in actuele politieke zaken maakte haar zelfs een beetje opgetogen. Maar het allermooiste aan hem vond ze zijn mildheid, zijn menselijke maat met op tijd de nodige strengheid als het om machtsmisbruik ging. In de kleine boekhandel vlak naast de supermarkt had zij indertijd ook een foto van Hella Haasse gezien. Toen zij aan de boekhandelaar gevraagd had of zij hem kon kopen, gaf hij hem zonder een spier te vertrekken aan haar cadeau. Thuis spijkerde zij hem naast die van Heinrich Böll. Lang kon zij naar het heldere, intelligente en knappe gezicht van de schrijfster kijken. Zij las en herlas haar 'Zelfportret als Legkaart' en voelde zich door de schrijfster gesteund bij het vinden van haar eigen vrouwelijkheid. De vrouw-uit-het-souterrain had behoefte aan deze steun. Haar manier van doen week af van die van de vrouwen uit haar directe omgeving. Dat de schrijfster niet in een God geloofde maar zich tot het humanisme voelde aangetrokken stemde haar bijna vrolijk. Zij stond op en pakte de tekening die haar moeder enige tijd geleden had meegebracht. Zij realiseerde zich dat haar vader toen nog leefde, en op zijn eigen precieze manier nog een pakje café noir open had gemaakt. Een manier die zij vanaf haar kindertijd had gezien. Al die weken, maanden bijna, had de tekening op haar formica tafel gelegen. Dat zij het zelf was die getekend was drong intussen niet meer tot haar door. Zij rolde de tekening op en legde hem boven in de kast, die naast de kapstokhaak stond. Haar oog ging naar de klink van de voordeur. Ze dacht aan de waarschuwende woorden van haar broer. Dat ze een slot moest laten maken, zodat ze ‘s avonds of overdag wanneer ze wegging, de deur kon afsluiten. Dat je je met een slot moest beschermen tegen de buitenwereld joeg haar angst aan. Diep kon zij verlangen naar vroeger, naar de tijd waarin geen fiets op slot hoefde, geen deur afgesloten. Traag liep zij naar het keukenblok. Het was tijd om koffie te zetten. Het speet haar dat ze alle handelingen steeds opnieuw zelf moest verrichten. Dat er niemand was die het 'n keer voor haar deed. Het pakje café noir, inmiddels verplaatst van keukentafel naar aanrecht, bracht haar weer naar haar vader. Een gevoel van dankbaarheid kwam omhoog. Al waren haar ouders niet in staat geweest haar de weg te wijzen die ze gaan kon, ze hadden haar ook nooit iets in de weg gelegd. Toen zij zich bij de Kunstacademie had aangemeld en bij de man-uit-het-herenhuis en zijn vrouw ging wonen en werken, hadden zij er begrip voor getoond dat zij haar eigen geld wilde verdienen en op zichzelf wilde zijn. Wat niet kleingeestig was. Het ouderlijk huis had immers ruimte genoeg en het opleidingsinstituut stond in haar woonplaats. Haar vader was rechercheur bij de Politie. Een beroep dat hij met plezier uitvoerde en waar hij met zijn rustige natuur geschikt voor was. Hij had een scherpe neus voor onregelmatigheden. Als zij bijvoorbeeld in de bus zaten wees hij haar tijdens de rit met een elleboogstootje op de mensen die geen kaartje hadden gekocht. Die keer dat er toevallig controle was, bleek zijn waarneming te kloppen. De koffie was gezet en met de beker in haar hand liep de vrouw van het keukenraam dat op de tuin uitkeek naar de twee ramen aan de voorkant, die op het park uitkeken. Zij ging niet zitten. Dat gebeurde bijna nooit. Het leek of zij haast kreeg. Nog tijdens het drinken trok zij alvast haar jas aan en deed haar kleine leren tas om de schouder, controleerde met haar linkerhand of haar portemonnee er in zat en dronk het laatste restje uit de beker. Ze liep naar het aanrecht waar de tas met lege flessen klaar stond, maar bedacht zich. De glasbak kwam een andere keer. Nu wilde ze naar de kleine boekhandel waar ook kantoorartikelen verkocht werden. Buiten was het fris. De bomen hadden geen bladeren meer. De winter kwam eraan. Handschoenen dacht de vrouw-uit-het-souterrain. De volgende keer moet ik mijn handschoenen aan doen. In de kleine boekhandel begroette de eigenaar haar kort. Net niet onvriendelijk. Zo ging het altijd. De vrouw-uit-het-souterrain vermoedde dat hij tegen elke klant zo deed. Dat hij niet aardiger kon zijn. Ze liep naar de kast waar de schrijfwaren lagen. Lang keek zij naar de verschillende blocnotes en schriften. Nam ze in haar hand en legde ze weer terug. Nam ze opnieuw in haar hand. De boekhandelaar schoof in haar richting. 'Kan ik u ergens mee helpen?' vroeg hij stug. 'Ik zoek een dik schrift met lijntjes, met in het midden een spiraal, zodat het schrift goed open kan liggen.' 'En hebt u een voorkeur voor een kleur van de kaft?' De vrouw was even uit haar doen. Over de kleur van een kaft had zij niet nagedacht. 'Nee', zei ze, 'een voorkeur heb ik niet.' De man pakte het gevraagde schrift. Het had een zwarte glanzende kaft. Net toen hij met het schrift richting kassa liep, zag de-vrouw-uit-het-souterrain een schrift met een stijve, zwart-wit gemarmerde, wat dikke kaft. Het was meer een boekje dan een schrift. Ze wilde eigenlijk liever dit boekschrift. Ze verzamelde moed en nam het uit de kast. Bij de kassa zei ze: 'het moet dit schrift worden.' De boekhandelaar legde het eerste schrift opzij en nam onbewogen het nieuwe van haar aan. Ze was blij met haar aankoop maar ook nerveus. Zou de man haar niet grillig vinden? Zo maar ineens de spiraal voor een marmeren kaft ruilen! Toen de man het boekschrift in een zakje deed zei ze: 'en nog twee ballpoints graag, een zwarte en een blauwe'.
|
|
| Toneelcursussen voor volwassenen | ||
| Profiel | ||
| Reserveren | ||
| Columns Heleen van den Berg ![]() |
||
| Studies Ad Beukering ![]() |
||
| Adres en Route | ||
| Donateurs | ||
| Contact | ||
| Lijst van gespeelde stukken |
||
| Veiligheid |