De Glasbak 7

Dat haar ouders de zolderverdieping van het huis waarin zij opgroeide hadden laten opknappen, was de vrouw-uit-het-souterrain volledig ontgaan. Het leek alsof haar vader en moeder er in het geheim op hadden gerekend dat zij ooit weer thuis kwam wonen.  Tijdelijk, dacht ze bij zichzelf. Ik woon hier tijdelijk.

De vrouw-uit-het-souterrain kon niet anders dan toegeven, dat de zes meter lange en vier meter brede zolder met smaak was verbouwd. De vloer en de schuine wanden waren gemaakt van houten planken, licht van kleur en met olie behandeld. Het rook lekker. In het dak waren twee grote kantelramen waardoor veel licht naar binnen viel en je goed naar de lucht kon kijken. Vandaag was het grijs. De vrouw vond het fijn naar de grauwe hemel te kijken. Zij  verheugde zich op de lucht-beelden die zouden komen: het strakke blauw, de witte wolken, de licht- en donkergrijze. De schapenwolken.

Als je vanaf beneden de trap opliep, kwam je uit op de toegangsdeur aan de smalle kant van de zolder. Achter die deur strekte de grote, lichte ruimte zich volledig voor je uit. Rechts de wand met de dakramen, links het hout. De kleine keuken en nog kleinere badkamer, die helemaal achterin de ruimte waren gemaakt, werden door een kamerscherm met Japanse bloemmotieven afgeschut. In de keuken was tegen een van de wanden een uitklapbaar blad gemaakt. Je kon er met twee of drie personen aan zitten. Op een kleine ijskast stond een driepitter. Daarnaast een bijna eenpersoons wasmachine. In de piepkleine badkamer was een granieten zitbad met douche erboven gemaakt.

De vrouw-uit-het-souterrain realiseerde zich dat zij een andere slaapbank nodig had, een nieuwe werktafel met stoelen, een paar krukjes voor rond het keukenblad. De groene slaapbank en de grijze formica tafel met de twee rode keukenstoelen waren het eigendom van de man-uit-het-herenhuis. Hij had niet gezegd dat zij de meubels mocht meenemen. Met haar moeder wilde zij niet praten over wat zij nodig had. Zij zou haar broer opzoeken en hem vragen haar te helpen. Ook had zij kopjes, bordjes, messen, lepels, vorken en pannen nodig. En niet te vergeten handdoeken, theedoeken en opveegdoekjes. Ze kwam in een prettig gejaagde stemming. Er moest iets gebeuren. Ze had er niet bij stilgestaan dat alles wat zij in het souterrain gebruikte van de man-uit-het-herenhuis en zijn zo vroeg overleden vrouw was.

Het geld dat zij nodig had haalde zij een keer per maand op het postkantoor. Na het afsluiten van haar betrekking als docent tekenen en schilderen, meer dan vijftien jaar geleden, leefde zij van een uitkering gebaseerd op twaalf lesuren per week. Na de Kunstacademie had zij bijna vijfentwintig jaar les gegeven op een scholengemeenschap. Met de kinderen die aanleg hadden, kon ze goed opschieten. De kinderen die niet van tekenen hielden en gedwongen moesten worden te werken, kon zij moeilijk de baas. Omdat het vak tekenen en schilderen op haar school een eindexamenvak was, liep het orde houden uiteindelijk niet hopeloos uit de hand. Toen er zich een gelegenheid voordeed om vervroegd van school weg te gaan, had zij daar dankbaar gebruik van gemaakt.
Zij kreeg zin in een mooi vloerkleed met kleurige patronen, een kleine houten tafel met twee, nee drie frêle eetstoelen van pitriet en drie stapelbare kunststof krukjes voor in de keuken. Zij ging op de grond tegen de houten wand zitten. Pakte uit haar tas een klein blocnootje en een potlood. Zij schreef een korte notitie aan haar broer: ‘Heb je hulp nodig voor inrichting zolder. Kan dat?’ Ze besloot het meteen bij hem in de bus te gaan doen. Beneden was niets van haar moeder te zien of te horen. Toen zij buiten kwam, zag zij haar met de boodschappentas in de richting van de winkel lopen. Ze aarzelde, toen zette zij de pas erin en haalde de oude vrouw in. Die lachte toen zij haar dochter zag. Zonder te praten liepen zij een stukje naast elkaar verder. Voor ze de winkel inging zei ze: ‘Mocht je iets nodig hebben van beneden, pak je het dan?  En om te slapen kun je eventueel de logeerkamer gebruiken’. Toen liep haar moeder de winkel binnen. De vrouw-uit-het-souterrain voelde zich een beetje onhandig daar voor die winkeldeur. Zij hernam haar tocht naar het huis van haar broer. Ze liep door een smalle winkelstraat met veel kleine winkels. Vroeger deed ze hier boodschappen met haar vader of moeder en later mocht zij ook alleen de benodigde spullen halen. Op een lijstje had ze dan zelf opgeschreven wat haar moeder nodig had. Veel winkels voor etenswaren waren vervangen door cadeau- en kledingzaken. Ze ontdekte drie kappers. In haar kindertijd reed hier nog een tram. En natuurlijk werd het drukker met auto’s. Toch kon je nog op de stoep spelen. En de lange straat nodigde uit om in te rolschaatsen. Af en toe kwam een van haar ouders controleren of ze echt op de stoep bleef.

Aan het eind van de straat liep zij onder de spoorbrug door. Rechts aan de kleine haven lag het gebouw van de krant. Op het water was het druk met boten. De oude fabrieksgebouwen waren vervangen door hoge flats. Het is hier prettiger nu dacht de vrouw-uit-het-souterrain. Minder sjofel. Minder verlaten. Minder buiten de stad. Ze stak over en liep door een rustige straat met veel verschillende soorten huizen. De kleinere waren ooit gebouwd als arbeidershuizen. Onverwacht stond er dan een vrijstaand huis en zelfs een, nu verwaarloosde, villa, gebouwd in een tijd dat dit deel van de stad nog platteland was en het voorname huis alleen in zijn omgeving stond. Een voorbeeld van vervuld verlangen van de rijkere stadsbewoner om buiten te wonen.

Na het kleine appartementenblok, in de zestiger jaren gebouwd, moest de vrouw rechtsaf. Ze kwam in de kleine straat waar haar broer woonde. Door het verschil in huizenbouw had de straat twee sferen. Rechts stonden de tamelijk grote huizen die vóór de oorlog gebouwd waren en de bombardementen overleefd hadden. Voor de huizen stonden oude kastanjebomen. Links waren enkele jaren geleden drie kleinere blokken flats neergezet. Lichte stenen en veel glas gaven de appartementen een prettig aanzien. In een ervan op de benedenverdieping woonde haar broer. Van het grote raam zonder gordijnen ging verstilling uit. De vrouw schoof een eindje de kleine voortuin in en ging op het tuinbankje staan dat tegen de korte muur onder het raam was neergezet. Ze keek in de ordelijke ruimte van haar broer. Ze realiseerde zich het doel van haar onderneming, stapte van de bank en stopte het briefje in de brievenbus. Langzaam wandelde ze terug in de richting van haar nieuwe, oude adres. De glasbak, het park met de Leeuw, het souterrain, het herenhuis, de tuin, de supermarkt, de boekwinkel, de bushalte naar het grotere park verderop, ze zou er niet meer als vanzelfsprekend rondlopen, het niet meer als vanzelfsprekend zien.

Het liep tegen het eind van de middag. In de winkelstraat werd het drukker met mensen die na het werk hun eten inkochten. Voor de kaasspecialist ontdekte zij de overbekende gestalte van haar broer. Hij deed zijn fiets op slot. Vlak achter hem sloot een tweede man zijn fiets af. Het leek of de beide mannen elkaar kenden. De onbekende man legde zijn hand om de schouders van haar broer. Even gingen hun hoofden naar elkaar toe. Toen liepen zij de openstaande winkeldeur binnen.