|
Op een van de vroege, en uitzonderlijk warme lentedagen, waarop in alle tuinen, parken en straten de bloesembomen hun kleuren lieten zien, viel de vrouw plotseling het woord ‘dood’ in. Nooit had ze zich ermee bezig gehouden. Zelfs niet toen haar vader overleed. Toen dacht zij meer aan het feit dat hij er niet meer was. Niet aan de dood zelf. De dood die iedereen treft. Ook haar.
Zij herinnerde zich een gesprek met haar huisarts, jaren geleden. Ze was somber in die periode, voelde zich slap en had op aandringen van haar broer de arts geconsulteerd. Hoe zij op het onderwerp kwamen wist de vrouw niet meer. Zij herinnerde zich alleen haarscherp hoe haar huisarts in de loop van het gesprek tegen haar zei: ‘het gaat er uiteindelijk om, dat je van harte aanvaardt dat het leven eindig is. Dat je je neer kunt leggen bij de dood.’ Terwijl ze sprak greep de arts naar haar borst. Ze was geëmotioneerd. De vrouw zag het aan haar ogen, hoorde het aan haar stem. ‘Lukt dat jou?’, vroeg de vrouw stug. De arts lachte. ‘Ik probeer het’, zei ze.
In gedachten vervoegde de vrouw een werkwoord. Vanaf het moment dat zij dit op school geleerd had had zij het leuk gevonden te merken hoe een woord onder invloed van ik-jij-hij-wij-jullie-zij van vorm veranderde. Ook toen zij de vreemde talen leerde bleef haar die woordverandering kietelen. Ich, du, er. Nous, vous, ils. I, you, he. De persoonsvormen rammelden opgewekt door haar hoofd. ‘Ik ga dood. Hij gaat dood. Zij gaat dood. Wij gaan dood. Jullie gaan dood. Zij gaan dood’.
Door de herhaling werd zij minder en minder bang voor het woord. Zij kwam erdoor in een neutrale leegte. Toen kreeg ze een idee.
Vlakbij het park waar zij de jonge vrouw met de paardenstaart en haar mooie blonde kindje zo nu en dan zag, woonde de enkele jaren oudere halfbroer van haar moeder met zijn echtgenote. Sinds zij bij haar ouders was weggegaan, had de vrouw haar oom en tante niet meer gezien. Niet dat ze er naar had uitgekeken. De enkele keer dat zij hen bij haar ouders dreigde te ontmoeten, had ze ervoor gezorgd op tijd weg te zijn. Vooral haar oom wilde zij niet zien. Zij voelde weerzin jegens hem. Hij had in de oorlog de zijde van de Duitsers gekozen en had daarvoor vijftien jaar in de gevangenis gezeten. In zijn situatie had de vrouw zich nooit verdiept. Ze had toegegeven aan haar weerzin en had zichzelf daarmee vanzelfsprekend bij de goede mensen gerekend. De vrouw kreeg zin om in de bus te stappen en bij haar oom en tante aan te bellen.
Haar tante deed de deur open. Niet al te ver. Zij was flink in de tachtig, klein van stuk en tenger. Het oorspronkelijke diepzwarte haar was nog niet helemaal grijs. De donkerbruine ogen keken de vrouw doordringend aan. De neus was minder gebogen dan zij zich herinnerde. ‘Hester!’, zei haar tante, ‘wat brengt je hier?’. Een geschikt antwoord schoot de vrouw niet te binnen. ‘Anton is niet thuis’, ging haar tante verder. ’Hij is voor controle naar het ziekenhuis. Omdat hij verdunners slikt, moet zijn bloed regelmatig gecontroleerd worden.’ ‘Is hij alleen?’, vroeg Hester. Haar tante glimlachte. ‘Ja, met de bus. Hij durft het nog steeds. Terwijl hij al over de negentig is. Maar kom gerust binnen. Een kop thee is zo gezet.’ ‘Gaat u nooit mee?’, vroeg Hester. ‘Ik moest naar de gym vanochtend. Dat mis ik niet graag. En Anton vind het fijn om alleen nog zo’n klein avontuur te kunnen wagen.’
De oude benedenwoning van haar tante had een bescheiden tuin op het noorden. Aan de achterkant van het huis was een nieuwe schuifpui gemaakt. Als je de grote glazen deur opzij schoof kwam je meteen op een terras. Daarop stonden twee rieten stoelen met gekleurde kussens en een rieten bijzettafeltje. Haar tante ging naar de keuken en kwam na een paar minuten terug met een gevulde theepot en drie glazen. Ze verwachtte haar man kennelijk snel terug.
‘Je komt voor Anton denk ik?’ Hester keek weg. ‘Kom je hem op deze goede vrijdag ter verantwoording roepen?’ Haar stem klonk vast. Kwaad noch vriendelijk. Hester veranderde van kijkrichting maar vermeed haar tante ’s ogen. Ze voelde dat ze een kleur kreeg. Het werd stil. En dat bleef lang zo.
‘De feiten kunnen niet ongedaan gemaakt worden. En dat hoeft ook niet. Toen Anton en ik elkaar in 1945 in een militair ziekenhuis ontmoetten, wisten we niets van elkaar. Ik werkte er na de bevrijding als verpleegster. Anton was een gewonde militair, vermomd zoals later bleek, als Engelse soldaat in een gestolen tenue. Toen hij vertelde dat hij een Nederlandse soldaat was die aan de Duitse kant had gestaan, waren we al verliefd op elkaar. Hij herstelde redelijk goed van zijn verwondingen en mocht buiten het hospitaal verder genezen. Vlakbij het ziekenhuis had ik een appartement toegewezen gekregen. Ik bood er hem een logeerplaats aan. Dat logeren heeft niet lang geduurd. Na tien dagen waren de Nederlandse autoriteiten hem op het spoor en werd hij gearresteerd wegens landverraad. Hij werd overgebracht naar de Strafgevangenis van Scheveningen. En ter dood veroordeeld.
Op de vraag of het goed of fout was wat hij deed, is natuurlijk maar een antwoord mogelijk. Maar ik kan wel nagaan hoe het is gegaan. Anton ’s moeder stierf kort na zijn geboorte en hij werd ondergebracht bij zijn Duitse grootouders vlak over de grens bij Oldenzaal. Na enkele jaren hertrouwde zijn vader. Uit dat huwelijk is je moeder geboren. Anton werd nooit teruggehaald. Waarom weet ik niet precies. Wel weet ik dat Anton en zijn grootouders erg op elkaar gesteld waren. Ook had hij het naar zijn zin op school en had hij vriendjes. Bovendien waren de tijden slecht. Iedereen was arm.
Toen Anton 18 werd kreeg hij een oproep om zijn dienstplicht te vervullen in het Nederlandse leger. De mobilisatie kwam dichterbij. Hij had nog altijd de Nederlandse nationaliteit. Omdat er genoeg werk was binnen het leger wilde hij graag beroepsmilitair worden. Hij werd geschikt bevonden mits hij onberispelijk en accentloos Nederlands leerde spreken. Binnen zeven maanden beheerste hij zijn tweede taal. Hij maakte snel carrière. Toen hij persoonlijke contacten met de bezetter kreeg, ging het fout.’ Haar tante schenkt thee in. Hester is onder het vertellen vergeten dat ze tegenover een erg oude vrouw zit. Als haar kopje leeg is vraagt ze: ‘Mag ik nu gaan? Ik kom later graag nog een keer terug.’ Haar tante knikt en gaat haar voor naar de deur. Tot een hartelijk afscheidswoord kan Hester niet komen. Zelfs een hand geven lukt haar niet. Zij schiet langs haar tante heen.
Bij de bushalte ziet Hester van ver de jonge vrouw met de paardenstaart. Deze keer op de fiets. Achterop haar kindje. De jonge vrouw zwaait en remt af. ‘Ik heb je lang niet meer gezien’, roept ze. ‘Als het weer zo mooi blijft, kom ik woensdagmiddag naar het park, roept Hester terug.’ Als ze de fietsende, jonge moeder nakijkt, draait het kindje zich in haar stoeltje om. Het linker handje gaat voorzichtig omhoog. Ze lacht verlegen. |